In de roman Wat we kunnen weten van Ian McEwan is een literatuurwetenschapper in het jaar 2119 op zoek naar een gedicht dat in 2014 één keer is voorgelezen en daarna van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen. Zijn zoektocht wordt bemoeilijkt door het feit dat er sinds die tijd grote klimaatcatastrofes hebben plaatsgevonden. Grote delen van Groot Brittannië staan onder water. Reizen van de ene naar de andere universiteit of depot is vaak onmogelijk. Ik las het boek terwijl ik met actiegroep Geef Tegengas een dag de bouw van een nieuw datacentrum van Microsoft blokkeerde in Amsterdam West.
Soms lees je een boek precies op de goede plek op het goede moment. Dat gebeurde daar. Aan de rand van het bouwterrein, vlak naast de grote bouwmachine met rupsbanden waar een paar andere rebellen zich onder en bovenop hadden verschanst lag een stapeltje pallets. Ik had een paar uur op de grond in het bouwzand gezeten en gekletst met iedereen. Maar mijn rug begon te zeuren, en de mensen met wie ik sprak waren geweldig maar ze konden ook moeiteloos dagen doorpraten over politiegeweld, lopende rechtszaken, volgende acties, kapitalisme en recepten voor bananencake. Na een uur of twee had ik even pauze nodig. Ineens zag ik het stapeltje pallets. Het was dichtbij genoeg de rest van de groep om niet meteen een statement te maken als ik daar ging zitten. Er zat een hek tussen dus mogelijke enthousiaste agenten gingen me niet onverwacht in mijn kraag pakken. Ik had zin in mijn boek, waar ik nu al een paar avonden in was ondergedompeld.
Het was stil. Het waaide hard maar het was niet koud. De klimmers hadden de banner bovenin de kraan gehangen en waren inmiddels weer beneden. De beveiliger die me een uur daarvoor nog in mijn nek gegrepen had en die me het liefst als een juffrouw Bullstronk met een zwieper over dat hek terug had willen gooien was afgetaaid. Haar adem rook naar automatenkoffie met melk en suiker. De bouwvakkers die nog met ons gesproken hadden, die ons met veel duimpjes omhoog bedankten zelfs, hadden nog een uur of wat op het terrein gewacht achter de hekken bij hun bouwkeet, maar toen duidelijk was dat ze echt niet meer aan het werk konden, waren ook zij vertrokken. Ze kwamen van over de hele wereld. Als een soort reizend circus bouwen ze datacenters op alle continenten. Het zag er naar uit dat er de komende uren niets te doen zou zijn voor ons dan wachten tot we van het terrein gesleept zouden worden door een stel agenten met bivakmutsen en skinnyjeans.
De wetenschapper in het boek heet Tom en op mijn pallet lees ik hoe hij – dankzij de literatuur- zo is gaan houden van The Lake District dat het voelt alsof hij elk stadje in de regio als zijn broekzak kent. Hoe hij zich Dove Cottage zo goed kan voorstellen, dat hij daar naast Wordsworth bij het haardvuur zit, dat hij net zo van die plek houdt als iedereen, toen het nog bestond, voordat het water kwam. Hij is ook van de mensen gaan houden waar hij onderzoek naar doet. Zij leven weer meer dan honderdvijftig jaar na Wordsworth, in een andere streek. En ook hen kent hij alsof het zijn beste vrienden, alsof het zijn geliefden zijn. En terwijl ik lees leer ik Tom kennen. En leef ik gedeeltelijk in 2119. En verbaas ik me net als de personages in die toekomstige tijd over de mensen die leven in mijn tijd, en die het af en toe, als het meezit, wat afstandelijk, op intellectueel niveau hebben over de klimaatcrisis en over wat ze misschien te wachten staat, maar die niets doen. Die gedichten schrijven en etentjes organiseren en vreemdgaan, en ruzie maken en literaire prijzen in ontvangst nemen en ziek worden en discussiëren over sonnetten en literaire kritiek en het wereldnieuws. Alles terwijl het zo duidelijk is, zeker vanuit de blik van iemand die leeft in het jaar 2119- maar ook echt al vanuit de blik van iemand die leeft in 2014, dat er een grote catastrofe aankomt.
Langzaam word ik onderdeel van het verhaal. Dat is dus wat er gebeurt als je een boek leest op precies de goede plek, op het goede moment. Dan stijgt het verhaal op als het ware. Het is 2026 en we zitten met een groep van dertig mensen op een bouwterrein. We zijn net met ladders over het hek geklommen. We hebben de bouw van deze datacenters met een dag stilgelegd, we maken plannen om dat vaker te doen, het liefst totdat we winnen en alles is gelukt. Alles ja. Zodat Tom in het boek, in het jaar 2119, dat gedicht gewoon in de bibliotheek even kan opzoeken, zonder gedoe. En tegelijkertijd vind ik het zo troostrijk dat er in 2119 iemand zijn hele carrière wijdt aan het terugvinden van een gedicht uit 2014. Dat er tegen die tijd mensen zijn die zich daarmee kunnen en willen bezighouden. Dat is ergens een geruststelling.
Aan het einde van de dag lopen we het terrein af. We worden opgewacht door een roedel ME’ers met schilden en knuppels en helmen. De arrestantenbussen staan klaar. Het is moeilijk uit te leggen maar als ik ze zo zie staan in een rij, klaar om ons tegen de grond te slaan, moet ik altijd mijn best doen om rustig te blijven. Ik wil ze slaan, ik wil huilen, ik wil ze uitschelden ik wil tegen ze schreeuwen tot ze hun helmen afdoen en ze in huilen uitbarsten en ze ons smeken hen te vergeven. Het is tot op het laatste moment onduidelijk of we gearresteerd worden en we die bussen worden ingesleept of dat we door mogen lopen. We mogen doorlopen.
In een grasveldje naast de snelweg doen we onze overals uit en veranderen we terug van anonieme rebellen naar moeders, studenten, ambtenaren, leraren, vaders, geliefden, buren, wetenschappers en barrista’s. Een kwartier later haal ik bij Station Sloterdijk mijn fiets van het slot. Nog een kwartier later loop ik door de Jumbo en doe ik boodschappen voor het avondeten. Ik app mijn kinderen dat het eten om 19 uur op tafel staat. Ik ben bezweet en moe en ik heb spierpijn alsof ik veertig kilometer heb gelopen. Er zit zand in mijn schoenen en mijn haar zit wild alsof ik net terug ben uit een andere wereld.
Ik denk aan Dove Cottage in the Lake District, waar ik stomtoevallig een paar maanden geleden voor het eerst was. Ik moest me daar bedwingen om me niet ook stiekem te ergeren aan de wat kitcherige ophemeling van de natuur in die gedichten. Maar ik begrijp waarom Tom daar anders over denkt. En het ontroert me zo dat Tom in 2119 er zo van houdt, dat hij zoveel over die plek gelezen heeft dat het voelt alsof hij er is geweest, toen het nog bestond. Toen die natuur ook nog bestond.
Het voelt alsof ik deze middag niet alleen op dat bouwterrein was, maar ook een half leven in 2119 heb doorgebracht. Sterker nog: die wereld was me verrassend vertrouwd. En niet eerder kwam mijn liefde voor literatuur en de noodzaak om actie te voeren op zoveel geweldige manieren bij elkaar als een krachtige magische kolkende massa. Het kan. Alles kan. Even ben ik overal in de tijd.

